Mallenmodel van een Noordzeebotter, de TH 43 (Tholen). De botter kenmerkt zich door een breed, hoog oplopend voorschip, met een spits toelopende voorsteven en een laag, open achterschip, geschikt voor een gemakkelijke behandeling van zware netten. Met een brede fok en een zware, buigzame, ongestaagde mast was de botter een uitstekende, zeewaardige en snelle zeiler. Het schip is ontstaan in het zuidelijk en zuidwestelijk deel van de toenmalige Zuiderzee. In de negentiende eeuw kwam het scheepstype ook in Zeeland voor, al was het beperkt. Bij de Zeeuwse schepen ontbreekt de bun, maar soms is deze naderhand ingebouwd. In Baasrode (België) waren veel botters, voornamelijk voor het palingvervoer van de Zuiderzee naar Antwerpen. Verder was het schip in gebruik voor allerlei vormen van visserij. Het model bestaat uit losse onderdelen: model, standaard, kluiverboom, vier luiken, twee handspaken, roer en helmstok en twee zwaarden. De Noordzeebotter onderscheidt zich van de Zuiderzeebotter door een dicht achterdek met bun en een hoger boord, tegen inslaande golven. Volgens maritiem historicus Jules van Beylen is het achterschip van dit model wat te laag.