Categorieën

1373

Grisaille ‘Nijverheid’

Deze grisaille, een schildering in grijstinten, stelt de bronnen van welvaart van Zierikzee voor. Te zien zijn de kabeljauwvisserij (putto met grote vis), landbouw (putto met een zeis en een mand met diverse groenten en graan), handel en koopvaardij (putto met een mercatorhelm en een staf), zoutziederij (putto met een zak zout), meekrapnijverheid (putto met meekrapplantjes) en de kreeften- en oesterhandel (twee putti met kreeften en oesters). De grisaille is geschilderd op doek dat is gemonteerd boven de toegangsdeur van de Raadzaal van het vroegere stadhuis van Zierikzee, nu Stadhuismuseum Zierikzee.

Vervaardiger: Geeraerts, Marten Jozef
Vervaardigingsplaats: Antwerpen (België)
Datering: 1777 tot 1777
Materiaal: olieverf op doek
Afmeting: hoogte 99.0 cm, breedte 217.0 cm
Objectnummer: 1373
Eigenaar: Gemeente Schouwen-Duiveland
Categorie:

Gerelateerde voorwerpen

Noorse kreeft
Appelsin, kalkun, kvakksalver, sjenever, lekkasje, reder, matros – deze Noorse woorden komen oorspronkelijk uit het Nederlands; ze herinneren aan oude handelscontacten tussen Noorwegen en onze streken. Ook vanuit Zierikzee werd vroeger op Noorwegen gevaren. De kreeften op het schilderij hiernaast verwijzen ernaar. Het schilderij hangt boven de deur van de raadzaal van het stadhuis.
Marten Geeraerts schilderde het doek in 1777. Kreeften kwamen toen nog niet voor in de Zeeuwse wateren. Elk jaar haalden schepen uit Zierikzee honderdduizenden kreeften in Noorwegen. De schippers kochten de schaaldieren levend in havenplaatsen langs de Noorse kust en transporteerden ze in een zogenaamde bun, een ruim dat gevuld kon worden met vers zeewater. Eenmaal aangekomen in Zierikzee, werden de kreeften gelost in speciale bakken, die zich bij het havenhoofd in de Oosterschelde bevonden. Daarna werden ze doorverkocht naar Holland, Brabant, Vlaanderen en Engeland. Wijd en zijd stonden ze bekend als een delicatesse. Kooplui uit Amsterdam en Londen kwamen speciaal naar Zierikzee om de schaaldieren in te kopen.
Zierikzee was de enige stad in de Nederlanden met een kreeftenhandel. In het midden van de achttiende eeuw telde de vloot van de stad ongeveer vijftien zogenaamde ‘kreeftenhalers’.
In de winter en in het voorjaar maakten deze schepen elk drie à vier reizen, met op de terugreis 10 à 20 duizend kreeften in het ruim. De totale aanvoer in Zierikzee bedroeg jaarlijks zo’n 500 à 750 duizend kreeften. Omstreeks 1800 was van de bloeiende kreeftenhandel weinig meer over. In de negentiende eeuw kwam de handel in Noorse kreeften volledig in handen van Engelsen. Tot ieders verrassing kwamen in de jaren 1880 opeens kreeften voor in de Oosterschelde. Al gauw deed het verhaal de ronde dat deze exemplaren afstamden van ontsnapte Noorse kreeften, maar waarschijnlijk heeft de soort zichzelf vanuit het Noorden, via de Noordzee, verspreid. De kansen voor kreeften om in de Oosterschelde te overleven waren toegenomen doordat de zeearm na de aanleg van de Kreekrakdam in 1867 zouter was geworden. In de twintigste eeuw werd de visserij op de zogenaamde Oosterscheldekreeft een lucratieve bezigheid.
Marten Geeraerts schilderde in 1777 niet alleen kreeften, maar nog vier andere bestaansbronnen van Zierikzee – met de klok mee: kabeljauwvisserij, landbouw, handel en oesterhandel.