Categorieën

351b

Borstbeeld voorstellende Agatha van Wissekerke

Borstbeeld, levensgroot, uit de Sint Lievensmonsterkerk, voorstellende Agatha van Wissekerke, overleden in 1620. Dit beeld kwam gaaf uit de Conyerskapel tevoorschijn na de brand in 1832. Het beeld belandde bij een steenhouwer in Zierikzee, die het zeer gehavend na jaren heeft verkocht aan een antiquair te Leiden en die heeft ze aan de gemeente Zierikzee te koop aangeboden voor f 50,-.

Vervaardiger: onbekend
Vervaardigingsplaats: onbekend
Datering: 1650 tot 1651
Materiaal: kalksteen
Afmeting: hoogte 64.0 cm, breedte 62.0 cm, diepte 19.0 cm
Objectnummer: 0351b
Eigenaar: Gemeente Schouwen-Duiveland
Categorie:

Gerelateerde voorwerpen

Maria en John
Deze twee borstbeelden stonden ooit bovenop een van de mooiste grafmonumenten in de Sint Lievensmonsterkerk te Zierikzee. Ooggetuigen waren vol lof over het metershoge praalgraf van zwart gepolijste natuursteen en wit marmer. Ze vonden het ‘sierlijk’, ‘heerlijk’ zelfs, maar ook ‘kostbaar’. Het monument is verloren gegaan. In 1832 brandde de kerk grotendeels af en hoewel het praalgraf bij deze brand ongeschonden bleef, besloot men het bij de sloop van de restanten van de kerk alsnog te vernietigen. Alleen deze twee bustes bleven gespaard.
Het grafmonument was bedoeld om de herinnering levend te houden aan Maria de Pottere en haar man John Conyers. Het echtpaar nam de beslissing om het praalgraf te bouwen in 1650. In mei van dat jaar was hun pleegzoon overleden – een neef die zij na het vroegtijdig overlijden van zijn moeder als eigen zoon hadden opgevoed. Maria en John hadden zelf geen kinderen en kennelijk geen andere erfgenamen. Vermoedelijk ging het ook met Maria niet goed; ze overleed zeven weken later. Kort daarvoor waren zij en John nog druk bezig geweest met de voorbereidingen voor het praalgraf. De bouw maakte ze niet meer mee; John zal daarop toezicht hebben gehouden en ervoor hebben gezorgd dat de juiste teksten in het marmer werden gebeiteld, inclusief de teksten ter nagedachtenis van hemzelf. Daarin werd verwezen naar zijn aristocratische achtergrond en zijn carrière als militair in dienst van de Engelse koning, de Republiek en de koning van Denemarken. Hij overleed in 1658 waarna het praalgraf kon worden gesloten.
De twee bustes stellen overigens niet Maria en John voor, maar Maria’s ouders. Haar vader was, net als John en haar pleegzoon, beroepsmilitair geweest. Haar ouders waren lang geleden overleden, dus hun bustes zullen aan de hand van portretten zijn gemaakt. Van Maria, John en hun pleegzoon werden levensgrote liggende beeltenissen gemaakt.
Maria en John lieten niet alleen een kostbaar praalgraf bouwen, een deel van de erfenis van Maria was tevens bestemd voor de bouw van armenhuisjes. Daags voor haar overlijden bepaalde Maria dat tegenover het kasteeltje van haar en John in Noordgouwe huisjes moesten worden gebouwd ‘tot troost en onderhoud van vijf eerlijke, van goede afkomste, en van kloeke voorstanders ontbloote weduwen’. De Pottere- of Conyershuisjes, zoals ze wel worden genoemd, staan er nog steeds.