Categorieën

0555d

Jak van gebloemde sits

Vrouwenjak, gevouwen model met twee keer twee vestpandjes. De onderste twee zijn met smal groen galon afgezet. De taille zit op de normale plaats, de mouwen komen tot net over de elleboog en hebben een geplooid manchet. Sits met kleine bloem/bladmotieven op een rode ondergrond. De voering is van geruit linnen met de kleuren ecru, beige, bruin en blauw. Lusjes van voeringstof om aan de bovenrok te bevestigen. Met de hand genaaid.
Het jak is waarschijnlijk afkomstig van een familie van tabakshandelaren uit Zierikzee.

Vervaardiger: onbekend
Vervaardigingsplaats: onbekend
Datering: 1800 tot 1825
Materiaal: katoen, sits, linnen
Afmeting: lengte 62.0 cm, breedte 44.0 cm
Objectnummer: 0555d
Eigenaar: Gemeente Schouwen-Duiveland
Categorie:

Gerelateerde voorwerpen

Sits
Koopvaardijschepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie brachten na 1660 sitsen stoffen mee uit Azië. Sits is een met de hand beschilderde, glanzend gemaakte katoenen stof met mooie bloemmotieven. Kenmerkend zijn de rode en de blauwe kleuren. Geverfd katoen was tot dan toe nauwelijks bekend in Europa. De meeste mensen droegen wollen en linnen kleding, de elite soms zijde.
Voor het verven van katoen en het aanbrengen van motieven waren speciale beitstechnieken nodig. Indiase textielververs beheersten die als geen ander. Ze gebruikten inheemse meekrap voor de rode kleuren en indigo voor de blauwe. Het resultaat was bijzonder duurzaam. De kleuren verbleekten niet, de stof was gemakkelijk wasbaar. Indiase sits werd snel populair in Europa. De stoffen werden gebruikt voor herenjassen, hemden, damesjakken, rokken, gordijnen en dekens.
Hollandse textielververs probeerden de Indiase technieken na te bootsen. Het lukte ze de patronen na te maken met drukblokken. Daardoor hoefden ze niet met de hand te schilderen. Maar roodverven van katoen bleef lange tijd lastig. Meekrap hecht moeilijk aan katoenen vezels. Bovendien gaf Zeeuwse meekrap een andere kleur rood dan Indiase meekrap.
Ook in Zierikzee werd sits gedragen. Omstreeks 1700 konden alleen de allerrijksten zich deze stoffen veroorloven. Rond 1800 werden de stoffen ook door boeren en burgers gedragen.